terug naar menu.

EXTRA AARDGASWINSTEN

Het Herenakkoord (Gentleman's Agreement)
van de regering Van Agt

EXTRA AARDGASWINSTEN

KhomeiniIn 1979 waren de olieprijzen en de prijs van benzine, als gevolg van de Iranese revolutie, de machtsovername door Khomeini en de vlucht van de Sjah van Perzië, sterk gestegen. Met de stijgende olieprijs steeg de prijs van het Nederlandse aardgas en daarmee de hoge winsten van Shell en Esso op de winning van het Nederlandse aardgas. De mensen merkten het in hun portemonnee. In hetzelfde jaar vroeg het eerste kabinet Van Agt aan de Nederlandse vakbonden om te matigen voor verbetering van de slechte Nederlandse economische positie en van de werkgelegenheid. Het viel niet in goede aarde. Op basis van de sterk gestegen olieprijzen werd in juni 1980 berekend dat in de komende 5 jaar (1980 - 1984) Shell en Esso een winst van 15,4 miljard gulden op het aardgas zouden maken, waarvan 2 miljard gulden extra winst door de gestegen olieprijzen. De PvdA (Partij van de Arbeid) wilde die hoge winsten van Shell en Esso (verder) afromen en die gebruiken voor de versterking van de Nederlandse economie en de werkgelegenheid. Die opvatting kreeg van de bevolking en in de Tweede Kamer steun.

Shell Nederland, verzette zich hevig. Ir. J.A. Montijn, directeur van Shell Nederland vond, dat Shell die winst zelf hard nodig had. Gijs van Aardenne, minister van economische zaken in het kabinet Van Agt, voelde evenmin voor het afromen van de winsten van de beide oliemaatschappijen. Hij was de oliemaatschappijen vriendelijk gezind. Volgens De Bruyne, president-directeur van de Koninklijke Shellgroep (de moeder van Shell Nederland) stelde Van Aardenne, zich over de besteding van de gaswinsten bepaald niet onvriendelijk (voor hen) op.

Van Aardenne vond, dat de oliemaatschappijen de extra winst al benutten voor de versterking van de Nederlandse economische structuur. Hij vreesde het aannemen door de Tweede Kamer van een PvdA-motie die het afromen beoogde van de extra aardgaswinsten. Hij wilde dat voorkomen door met de oliemaatschappijen een Herenakkoord (Gentleman's Agreement) af te sluiten over hun besteding van de gaswinsten in Nederland. Op die wijze zou volgens hem hooggekwalificeerde werkgelegenheid worden geschapen, de Nederlandse energievoorziening beter worden gediend en het Nederlandse researchpotentieel meer worden versterkt, dan met het afromen van de extra winst. Een meerderheid in de Tweede Kamer steunde hem. De motie van de PvdA, om het aandeel van de Staat in de gaswinst te vergroten, werd verworpen. Van Aardenne hield, met het Herenakkoord, een afroming van de extra aardgaswinsten tegen.

HET HERENAKKOORD

Van Aardenne voerde met Shell en met Exxon (de Amerikaanse moedermaatschappij van Esso) een aantal gesprekken over hun investeringsplannen voor de komende jaren. Shell had plannen om in een eerste periode van 5 jaar (1980 - 1984) 7 miljard gulden te investeren en Esso 6,9 miljard gulden. In een tweede periode van 5 jaar (1985 - 1990) dacht Shell 8 miljard gulden en Esso 14 miljard gulden te besteden. Shell zou investeren in o.m. een kolenvergasser, een Hyconproject (voor meer lichte raffinagefracties) en 'overigen', o.m. een SHOP (Shell Hoger Olifinen Project) in Moerdijk en in de gas- en oliewinning in de Noordzee via de NAM.

In het verleden had Esso meer geïnvesteerd in haar raffinaderij in Antwerpen dan in de Botlek. De Industriebond FNV maakte zich zelfs zorgen over het voortbestaan van de raffinaderij in de Botlek. Maar Van Duivenbooden, directeur Esso-raffinaderij, verzekerde dat deze zorg ten onrechte was. Aan de minister-president Dries van Agt en minister Van Aardenne gaf Clifford C. Garvin, president van Exxon, bij een lunch in New York, een overzicht van Esso's investeringsplannen.

De flexikoker in aanbouwEsso zou de raffinaderij in de Botlek moderniseren, door een Flexikoker (een installatie voor het omzetten van zware residuolie in lichtere producten als, benzine, gasolie en gasvormige olieproducten) te bouwen en te investeren in een kolenvergasser. Via de NAM (Nederlandse Aardolie Maatschappij) wilde Esso (met partner Shell) meer investeren in de Noordzee (exploratie en olie- en gaswinning). Met die investeringen zouden ruim 5 miljard gulden gemoeid zijn. Het lag een stuk lager dan de aardgaswinsten van Esso. Verder had Exxon het plan om voor 3 miljard dollar in een omvangrijk kolenmijnproject (met o.m. toegangswegen, spoorverbindingen, vliegvelden, en een krachtcentrale) te investeren in Colombia. Aan dit project zou Esso voor 1,25 miljard gulden deelnemen. In 1983 zou dit op kunnen lopen tot 1,66 miljard gulden. Het had niets met het investeren van de aardgaswinsten in Nederland te maken, maar Van Ardennen stelde het voor als een bijdrage in de Nederlandse energievoorziening (aanvoer van kolen).

Van Aardenne was tevreden over de besteding van de verwachte aardgaswinsten, maar 'in de vriendelijke en ongedwongen sfeer', zoals hij de gesprekken noemde, maakten Shell en Esso wel duidelijk, dat ze in het buitenland zouden investeren als het Nederlandse beleid daar aanleiding toe gaf. Pas als de rendementen hoog genoeg leken zouden Shell en Esso in Nederland investeren Herenakkoord of niet, al hadden ze grote belangen bij de winning en de distributie van het Nederlandse aardgas. Maar Van Aardenne hield vol, dat hij met het Herenakkoord Shell en Esso had verplicht tot het doen van extra investeringen.

Montijn, president-directeur van Shell Nederland, ontkende dat al direct. Hij zei dat Shell niet meer had gedaan, dan de regering een gespecificeerd overzicht geven in de investeringsplannen van Shell. Investeringen in complexe installaties in de procesindustrie vergen een lange periode van onderzoek. De investeringsplannen van de oliemaatschappijen kwamen niet onder druk van het Herenakkoord tot stand, maar onder hoge rendementsverwachting gebaseerd op jarenlang onderzoek naar de technische en economische uitvoerbaarheid. Van Aardenne, die met het sluiten van het Herenakkoord zijn onderhandelingspositie uit handen gaf, kreeg er nauwelijks inzicht voor terug. Gerard Geraets schreef in de Volkskrant van 7 juni 1980 terecht, 'de druk van Den Haag is ver te zoeken'.

UITVOERING

De Industriebond FNV twijfelde aan de uitvoering van de plannen van de oliemaatschappijen. Toch leken, voor een deel, de plannen van Esso vorm te krijgen. Esso verleende op 25 februari 1981 aan het ingenieursbureau Fluor Nederland opdracht om voor 1,5 miljard gulden in de Botlek een Flexikoker te bouwen. Maar al na vier maanden besloot Esso de bouw van de Flexikoker te 'revalueren', omdat de kosten tweemaal zo hoog dreigden te worden als in 1980 begroot. Ir. H.J. Beverdam, directeur Esso-raffinaderij, verzekerde dat de heroverweging los stond van negatieve ontwikkelingen in de olie- en petrochemische industrie. Shell en Esso maakten samen op 21 augustus 1981 bekend, dat ze in Mossmorran (Schotland) voor 1,74 miljard gulden investeerden in een ethyleenkraker voor de voeding van het chemisch bedrijf van Esso in Schotland, waarin Esso nog eens voor 1,82 miljard gulden investeerde. Volgens de Industriebond FNV moest dat, in een slinkende ethyleenmarkt, gevolgen hebben voor ethyleenproductie bij Shell-Moerdijk. Shell ontkende het, maar zo onlogisch was het niet: de ethyleenkraker in Pernis werd er het slachtoffer van en Esso sloot haar ethyleenfabriek in Duitsland.

De vooruitzichten in de olie- en in de chemische industrie waren somber. In oktober 1981 maakte Shell bekend, dat bij Shell-Pernis de productie van de Pernisser naftakraker (ethyleenproductie) werd beëindigd. En Lemij, toen directeur van de Shell-raffinaderij, zei op 11 november 1981, dat dit zou leiden tot 'een drastische vermindering van de doorzet van de raffinaderij in Pernis'. De (primaire) doorzet van de raffinaderij werd van 25 miljoen ton ruwe olie naar 15 ton teruggebracht. Montijn, president-directeur van Shell Nederland, zei, dat de inkrimping vooralsnog zonder gedwongen ontslagen kon worden bereikt.

In alle raffinaderijen werd de (primaire) verwerking van ruwe olie sterk ingekrompen. Shell stelde de beslissing over de bouw van de Hycon uit. Toen in november 1981 de olieprijzen daalden werden de plannen voor kolenvergassing zowel door Shell als Esso geschrapt. Tweede Kamerlid Van der Linden (CDA) vroeg aan Van Aardenne in hoeverre kolenvergassing een onderdeel vormde van het investeringsprogramma van de oliemaatschappijen in Nederland. Hij was vergeten dat Van Aardenne in 1980 de kolenvergassing nadrukkelijk gepresenteerd had als een grote bijdrage van Shell en Esso voor het besteden van de aardgaswinsten in Nederland.

In september 1981 verdween Van Aardenne, als minister van economische zaken, even uit beeld. Hij werd opgevolgd door J. Terlouw van D66. De Tweede Kamer nam op 20 november 1981 een motie Woltgens (PvdA) en Engwirda (D66) aan, waarin Terlouw werd gevraagd om vóór 1 februari 1982 te rapporteren over de naleving van het Herenakkoord. Terlouw, geen sterke minister, was voorstander om Shell en Esso zelf uit te laten maken hoe ze de aardgaswinsten bij hun investeringsprogramma wilden betrekken.

Esso besloot in december 1981 de bouw van de Flexikoker toch door te laten gaan. De kosten werden nu op 2,5 miljard gulden geraamd: 1 miljard gulden meer dan eerder was begroot en met een productie, die 26.000 vaten per dag lager lag dan de eerder genoemde 59.000 vaten. In één klap voldeed Esso voor 1 miljard gulden méér aan het Herenakkoord. Het hogere bedrag en de kleinere omzet riepen vragen op: hoe konden deskundige mensen, die elders in de Wereld al eerder een Flexikoker hadden gebouwd zich voor maar liefst 1 miljard gulden vergissen op een installatie die nu bijna de helft minder ging produceren? Werden die niet bij een Amerikaans bedrijf op staande voet ontslagen?

Tegenwerking van de directie van GulfOp 8 december 1981 had Piet Scheele, voordat de voortgangsrapportage in de Tweede kamer kwam, samen met Ruud Huisman, kaderlid van de Industriebond FNV en or-lid bij Gulf, W.L. van Schaik, haven en economische zaken van de gemeente Rotterdam en Henk Molenaar, directeur van het Rotterdamse Havenbedrijf een gesprek met de kamercommissie voor economische zaken. Het gesprek zou aanvankelijk alleen gaan over het afstoten van de raffinaderij in Europoort door Gulf en over de negatieve ontwikkelingen in de chemische- en olie-industrie in de Rijnmond. Maar Piet Scheele nam de gelegenheid te baat om ook te praten over het vooruitschuiven en schrappen van investeringen uit het Herenakkoord en over het forse verlies van arbeidsplaatsen bij Shell.

Maar bij de voortgangsrapportage op 23 februari 1982 in de Tweede Kamer, bleef Terlouw onveranderd tevreden over de investeringen van Shell en Esso. De kamerfracties van het CDA en de VVD waren ook tevreden. Zijn eigen partij, D66, was niet helemaal kritiekloos, maar ging niet verder dan de vraag om de overeenkomst te verduidelijken. Arie van der Hek, de woordvoerder van de PvdA, was teleurgesteld.

ONDERZOEK

De Industriebond FNV was verre van tevreden. In de chemische- en olie-industrie in het Rijnmondgebied ging het niet goed met de werkgelegenheid. Door sluiting en verkoop van bedrijven, zoals bij de raffinaderijen van Gulf en Chevron, gingen arbeidsplaatsen verloren. Grote ondernemingen stootten producten met marginale winstcijfers af en er werd tegen lagere loonkosten (met minder mensen) geproduceerd in een plattere organisatie (schrappen van midden kader). De directie van Gulf maakte het, bij het afstoten/verkoop van de raffinaderij, moeilijk voor de vakbeweging om de belangen van de werknemers te behartigen. Journalisten ontdekten, dat de Amerikaanse directie van Gulf zich in het geheim en tegen een aardige vergoeding liet adviseren door Ferrie Hoogendijk, toen journalist voor Elseviers Weekblad, Schmeltzer, Tweede Kamerlid voor de KVP en (oud) CNV-vakbondsbestuurder Bouke Roolvink. Daar had de directie geen moeite mee.

De Industriebond FNV in Rotterdam zag het belang in van investeringen in de Rijnmond. Nieuwe ontwikkelingen konden de werkgelegenheid vergroten. Van Aardenne had een speciale werkgroep bij zijn departement ingesteld, die zich bezig hield met de voortgang en uitvoering van nieuwe investeringsplannen en het aandeel van de Nederlandse industrie bij het aanbesteden van de bouw van installaties. Maar de werkgroep moest het doen met de gegevens die de De reïncarnatie van Hoogendijk? oliemaatschappijen verstrekten. Dat gaf een 'gekleurd' zicht. Over controle op de uitvoering van de investeringsplannen was bij het tot stand komen van het Herenakkoord niet gesproken laat staan iets vastgelegd. De Industriebond FNV was niet onder de indruk van het inzicht van de regering in de voortgang en de uitvoering van de investeringsplannen en over de voortgangsrapportages van de minister. Ze besloot zelf te onderzoeken wat er werkelijke terecht kwam van de plannen van de twee oliemaatschappijen.

Met de deskundigheid van de Centrale Contact Commissie Shell (kaderleden uit verschillende vestigingen van Shell) en kaderleden bij Esso, had de Industriebond een goed inzicht in de werkelijke investeringen en beschikte ze over juiste informatie. Ze vergeleek die met de jaarlijkse voortgangsrapportages van de minister en toetste die aan de investeringsplannen uit het Herenakkoord. Ze beoordeelde in hoeverre de investeringen voldeden aan de argumenten van Van Aardenne bij het presenteren van het Herenakkoord: het scheppen van hooggekwalificeerde werkgelegenheid, de versterking van het raffinage en chemische complex, het dienen van de Nederlandse energievoorziening, het versterken van het Nederlandse researchpotentieel en de innoverende impulsen bij de bouw voor de Nederlandse toeleveringsindustrie.

Van Aardenne, die inmiddels Terlouw als minister van economische zaken weer was opgevolgd, bleef er in de voortgangsrapportage op 16 juni 1983 bij, dat Shell en Esso het Herenakkoord 'concreet' uitvoerden en aan de bedoelingen beantwoorden. Dat bleek niet uit het onderzoek van de Industriebond FNV. De kolenvergassers waren uit de voornemens geschrapt. Bij Esso ging een investering in een phtaalzuur-anhydridefabriek niet door. Bij Shell verdween de SHOP (Shell Hoger Olifinen Project, voor verwerking van ethyleen) uit de investeringsplannen voor Moerdijk. In plaats van die investeringen voerden de oliemaatschappijen nu een groot aantal kleinere projecten op die voor een deel normale voortgangsinvesteringen waren en niet onder het Herenakkoord vielen. Het voornemen voor investeringen voor gas- en oliewinning bij de NAM in de Noordzee, werd verhoogd. Maar de investeringen in gas- en oliewinning in de Noordzee gingen op en neer met de olieprijs en waren geen gevolg van het Herenakkoord.

In een gesprek op 31 januari 1984 wees de Industriebond FNV Van Aardenne en zijn ambtenaren nog eens op het verschil in de plannen en de uitvoering van Shell en Esso en op de negatieve investering- en werkgelegenheidsontwikkeling in het algemeen. Van Aardenne luisterde, maar was alleen bereid om voor hij een voortgangsrapportage aan de Tweede Kamer gaf, het commentaar van de Industriebond FNV te horen. Die belofte kwam hij niet na.

INVESTERINGEN

Er kwam wat schot in de investering voor de bouw van een Hycon-installatie (voor de modernisering van de raffinaderij bij Shell-Pernis). In een vertrouwelijke bijeenkomst liet Shell 46 Nederlandse en Engelse topfunctionarissen van Shell discussiëren over de vraag welke soort grondstof (olie) het beste in een Hycon-installatie kon worden gebruikt. Zij kwamen tot de conclusie, dat Maya-crude, een goedkope Venezolaanse olie die echter veel zware metalen bevatte, de beste mogelijkheden bood. De eerste investering voor de modernisering van de raffinaderij kwam echter in België terecht bij een fabriek van Shell voor katalysatoren in Gent. Shell bouwde er twee fabrieken voor het produceren van katalysatoren om o.m. zware metalen uit het Hycon-proces te verwijderen. De snelle verontreiniging van de katalysator zou later een van de hardnekkige kinderziekten van de Hycon-installatie blijken.

Installatie voor het omzetten van zware- in lichte productenBij Esso was de modernisering van de raffinaderij verder gevorderd. Op 19 september 1983 onthulde Van Aardenne een plaquette als de symbolische start voor de bouw van de flexikoker. R. Dahan, president-directeur zei, dat als Esso deze omvangrijke investering in Rotterdam niet deed de raffinaderij op den duur had moeten sluiten. Twee jaar eerder zei Esso-directeur Van Duivenbooden nog, dat de zorg van de Industriebond FNV over het voortbestaan van de raffinaderij ten onrechte was. Het aantal Nederlandse werknemers dat bij de bouw van de flexikoker werd betrokken bleek veel lager dan de 4000 die Van Aardenne in het vooruitzicht had gesteld.

Shell begon op 29 augustus 1984, ruim 4,5 jaar na het afsluiten van het Herenakkoord, aan de bouw van een Hycon-installatie in Pernis: kosten 1.2 miljard gulden. Bij Shell was het de eerste echt vernieuwende investering uit het Herenakkoord. De Industriebond FNV was er mee ingenomen, maar vond het niet voldoende. Van Aardenne zei, bij de presentatie van de voortgangsrapportage aan de Tweede Kamer op 17 september 1984, dat het totaal van de investeringsprogramma's van de beide maatschappijen het totaal van de gaswinsten overtroffen en dat er alleszins sprake was van een redelijke verhouding. Volgens hem werd bij de investeringen van Shell en Esso 'het Nederlandse bedrijfsleven in grote mate ingeschakeld'.

BRIEF OP POTEN

Uit: Als het tij keert.De Industriebond FNV was het er niet mee eens en schreef, in overleg met de Centrale Contact Commissie Shell en kaderleden bij Esso, het rapport De Uitvoering van het Herenakkoord of het Shell Nederland beleid in Beeld. Ze toonde met cijfers aan dat Shell en Esso in onvoldoende mate aan de oorspronkelijke opzet, het scheppen van nieuwe hoogwaardige arbeidsplaatsen en versterking van de Nederlandse industrie, voldeden. Ze zond het rapport aan minister Van Aardenne van economische zaken, aan minister De Koning van sociale zaken en werkgelegenheid, de gemeente Rotterdam, de directies van Shell en Esso, aan de pers, en aan ieder die het wilde hebben. Piet Scheele sprak er met de kamercommissie voor economische zaken over, vóór de voortgangsrapportage in het Tweede Kamer werd behandeld. Het hielp weinig.

Bij de voortgangsrapportage op 23 tot 25 oktober 1984 in de Tweede Kamer citeerden, Eshuis CPN, Willems PSP, Wagenaar RPF en Van Dis SGP uit het rapport of verwezen er naar. Dat deden zelfs woordvoerders van de regeringspartijen: Van der Linden CDA, Braams VVD en Engwirda D66, gebruikten de feiten, cijfers en gegevens uit het rapport. Het rapport gaf de effecten per investering gedetailleerder en duidelijker weer dan de voortgangsrapportage van de minister. In een motie Eshuis(CPN)/Van der Hek(PvdA), werd gevraagd, 'kennisnemende van het oordeel van de Industriebond FNV, om de investeringscriteria in heroverweging te nemen, daarbij het oordeel van de Industriebond FNV te betrekken en het resultaat zo spoedig mogelijk aan de Kamer mede te delen'.

Van Aardenne werd in zijn beantwoording gedwongen om uitvoerig op het rapport van de Industriebond in te gaan. Hij was het 'er in zekere zin nog wel mee eens, dat in innovatie opzicht het afvoeren van het Shopproject (Shell Hoger Olifinen Project) een negatieve factor was, maar hij vond het eenzijdig dat Esso's Flexikoker en Shell's Hycon niet als positieve factoren in het rapport werden genoemd'. Willems PSP interrumpeerde dat de Flexikoker en de Hycon, wel degelijk als positief in het rapport stonden. Volgens Van Aardenne zat het rapport er helemaal naast als het om de investeringen van de NAM ging. Volgens hem ging het om een ingewikkelde berekening. Maar zo ingewikkeld was die berekening niet en de NAM deed er niet geheimzinnig over. Ten onrechte rekende Van Aardenne de vaste operationele uitgaven als bijdrage aan het Herenakkoord mee. In een 'brief op poten' schreef de Industriebond FNV hem dat.

BALANS

Het Herenakkoord werd in de tweede periode van vijf jaar (1985 - 1989) afgezwakt. Van Aardenne ontsloeg de oliemaatschappijen van hun verplichting tot investeren. Hij vond dat de oliemaatschappijen het complexe besluitvormingsproces in vrijheid moesten kunnen nemen. Hij zei: 'De vrijheid van ondernemen is de beste garantie voor goede rendabele investeringen op het goede moment en op de goede plaats'. Daarmee gaf hij Shell en Esso een vrijbrief om de Nederlandse aardgaswinsten ook in het buitenland te investeren. Van Aardenne vond een jaarlijkse rapportage over projecten waarvan vaststond dat de uitvoering binnen afzienbare tijd zou aanvangen voldoende. Van de doelstelling van het Herenakkoord bleef weinig over.

De Industriebond FNV besloot om over de investeringen in eerste vijf jaar een balans op te maken. Ze stuurde de uitkomst tegelijk met het commentaar op de voortgangsrapportage van 4 september 1985 aan Van Aardenne en de Tweede Kamer. Haar conclusie was, dat Shell in die vijf jaar voor 1,47 miljard gulden te weinig had geïnvesteerd en Esso voor 2,47 miljard gulden. Voor Esso liet ze de desinvestering van de verkoop van de kunstmestfabriek zelfs buiten beschouwing.

Ook het aandeel van Nederlandse bedrijven in de bouw van de installaties waren lager dan Van Aardenne had voorgesteld. Dat bleek uit de bijeenkomst op 3 juni 1985 in het congrescentrum in Den Haag, waar ongeveer 1000 aannemers probeerden om orders voor de bouw van het Hycon-project in de wacht te slepen. De verwachtingen waren hoog gespannen. De regering had gezegd dat 70% van het werk door het Nederlandse bedrijfsleven zou worden uitgevoerd. Ir. C. Grooters, algemeen directeur van Shell Raffinaderij en Chemie in Pernis, temperde die hoge verwachtingen. De toewijzing van de orders zou gebeuren op basis van kwaliteit, financiële positie, productielocatie, veiligheid, ongeacht de nationaliteit van de inschrijver. Grooters probeerde de teleurstelling weg te nemen met de belofte, dat wanneer er een buitenlands bedrijf als beste uit de bus kwam, de offerte alsnog werd vergeleken met de beste Nederlandse concurrent. Maar inkoopleider Van Deursen temperde bij voorbaat een te grote verwachting: 'Als de 70% Nederlandse inbreng niet wordt gehaald, is niet Shell verantwoordelijk', zei hij.

Ondertussen bleef het personeelsbestand bij Shell en Esso teruggelopen. Op 1 januari 1985 waren er in vergelijking met 1 januari 1982 bij Shell Nederland 2155 arbeidsplaatsen verdwenen. In 1982 werkten bij Shell in Nederland nog 18115 werknemers. In 1985 daalde dat tot 16761 en in de jaren daarna daalde het verder. Bij Esso was de ontwikkeling niet anders, al viel dat door het kleinere personeelsbestand minder op. In 1982 werkten er nog 1448 werknemers bij Esso in Nederland en in 1985 liep dat terug tot 1388. Ook het door Van Aardenne voorgestelde versterkende effect op het researchpotentieel viel tegen: het aantal arbeidsplaatsen bij het Koninklijke Shell Laboratorium in Amsterdam (KSLA) daalde met 400 arbeidsplaatsen.

Het Herenakkoord was voor de investeringen van de oliemaatschappijen niet bepalend. Het bleek later ook uit het aanbod van Texaco (die nauwelijks aardgasbaten had) om op basis van Texaco-technologie voor eigen rekening een kolenvergassingscentrale op de Maasvlakte te bouwen. (De kolenvergassers van Shell en Esso waren de eerste projecten die uit het Herenakkoord waren geschrapt). De toenmalige minister van economische zaken, Andriessen, wees het aanbod af. Hij koos, in afwachting van de uitkomst van een praktijkexperiment met kolenvergassing in Limburg waarin Shell zou deelnemen en die in 1993 zou gaan produceren, voor een (vervuilender) poederkoolcentrale.
(In 1989 werd met de bouw van de centrale op basis van Shell technologie en met overheidssubsidie begonnen. De productie leverde veel problemen. Na vierduizend aanpassingen aan de installatie waren de problemen opgelost. In 2001 leverde de centrale voor het eerst winst op. Bij kolenvergassing komen minder vervuilende stoffen vrij zoals zwavel en kwik. En de uitstoot van kooldioxide (broeikasgas) kan gemakkelijker worden 'afgevangen'. Een vermindering van de uitstoot bereikt de huidige eigenaar Nuon, door het bij stoken van biomassa, (druivenpitten), en denkt de uitstoot verder te beperken, door het geheel of gedeeltelijk af te vangen en onder de grond in lege gasvelden op te slaan. De Volkskrant 6 maart 2007.)

Het Herenakkoord vergrootte de invloed van de regering op de oliemaatschappijen niet. Het Herenakkoord was voor de regering meer een middel om te voorkomen, dat de winsten van Shell en Esso op het Nederlandse aardgas (verder) werden afgeroomd. Het belang van Shell en Esso bij het Herenakkoord was groter dan die van de Nederlandse staat.

De Industriebond FNV maakte een gretig gebruik van het Herenakkoord om de regering en de Tweede Kamer onder druk te zetten en de naleving van het Herenakkoord af te dwingen. Ze zette de oliemaatschappijen onder druk om hun beloften uit te voeren en zo werkgelegenheid in Nederland en de Rijnmond te scheppen. De directies vonden de inspanningen van de Industriebond FNV maar lastig. Dat bleek uit de vaak geïrriteerde reacties van Shell en Esso. Maar de opvattingen en de rapporten van de Industriebond FNV werden serieus genomen. Daardoor ontstonden met de gemeente Rotterdam, het Rotterdamse Havenbedrijf en in zekere mate ook met de minister en de ambtenaren van het ministerie van economische zaken, intensieve contacten.

Met de daling van de olieprijs en daarmee de extra winst op het aardgas, verloor de discussie over het Herenakkoord aan betekenis. Voor het verbeteren van de Nederlandse economie en de werkgelegenheid, had de regering met een beetje durf en vooral met meer wil, meer uit de winsten op het Nederlandse aardgas van Shell en Esso kunnen halen dan met het Herenakkoord gebeurde. Maar de regering en een meerderheid van de politieke partijen in de Tweede Kamer beslisten anders.

Piet Scheele

e-mailadres: pscheele@chello.nl

naar boven

Of ga naar:
Fusie Oliecrisis Brand bij Shell Staking bij ICI Staking bij Shell Cyanamid en gezondheid 5-ploegendienst Johan Stekelenburg Link