terug naar menu.

EXTRA AARDGASWINSTEN

Het Herenakkoord (Gentleman's Agreement)
van de regering Van Agt

EXTRA AARDGASWINSTEN

KhomeiniAls gevolg van de Iranese revolutie, de vlucht van de Sjah van Perzië en de machtsovername door Khomeini, waren in 1979 de prijs van olie en benzine sterk gestegen. Met de olieprijs steeg de prijs van het Nederlandse aardgas en de hoge winsten van Shell en Esso op de winning van het Nederlandse aardgas. De mensen merkten het in hun portemonnee. In 1979 vroeg het eerste kabinet Van Agt de vakbonden om te matigen voor verbetering van de slechte economische positie en de werkgelegenheid. Het viel niet in goede aarde. In de komende 5 jaar (1980 - 1984) zou door sterk stijgende olieprijzen, Shell en Esso een winst van 15,4 miljard gulden op aardgas maken. Waarvan 2 miljard gulden extra winst was. De PvdA (Partij van de Arbeid) wilde de hoge winsten van Shell en Esso (verder) afromen en die gebruiken voor de versterking van de economie en de werkgelegenheid. De bevolking en een deel van de Tweede Kamer steunde die opvatting.

Shell Nederland verzette zich. ‘Shell heeft die winst zelf hard nodig’, zei Ir. J.A. Montijn directeur van Shell Nederland. De minister van economische zaken, Gijs van Aardenne (VVD), voelde evenmin voor afromen. Volgens De Bruyne, president-directeur van de Koninklijke Shellgroep (de top van Shell) stelde Van Aardenne zich niet ‘onvriendelijk’ op.

Van Aardenne verkondigde, dat de oliemaatschappijen de extra winst al gebruikten voor versterking van de Nederlandse economische structuur. Hij vreesde de aanname van een PvdA-motie om de extra aardgaswinsten af te romen. Hij voorkwam het, door met de oliemaatschappijen een ‘Herenakkoord’ (Gentleman's Agreement)af te sluiten over hun bestedingen van de gaswinsten in Nederland. Zo zou er, volgens de minister hooggekwalificeerde werkgelegenheid worden geschapen, de Nederlandse energievoorziening beter worden gediend en het Nederlandse researchpotentieel worden versterkt. Een meerderheid in de Tweede Kamer steunde hem. De motie van de PvdA werd verworpen. Met het Herenakkoord hield Van Aardenne, de afroming van de extra aardgaswinsten tegen.

HET HERENAKKOORD

De minister voerde gesprekken met Shell en Exxon (de Amerikaanse moedermaatschappij van Esso) over hun investeringsplannen. Van Aardenne deelde aan de Tweede Kamer meet dat Shell plannen had om in een eerste periode van 5 jaar (1980 - 1984) 7 miljard gulden te investeren en Esso 6,9 miljard gulden. In een tweede periode van 5 jaar (1985 - 1990) dacht Shell 8 miljard gulden en Esso 14 miljard gulden te besteden. Shell zei te investeren in o.m. een kolenvergasser, een Hyconproject (voor meer lichte raffinagefracties) en 'overigen', o.m. een SHOP (Shell Hoger Olifinen Project) in Moerdijk en in de gas- en oliewinning in de Noordzee via de NAM. Bij een lunch in New York gaf Clifford C. Garvin, president van Exxon, aan minister-president Dries van Agt en minister Van Aardenne, een overzicht van Esso's investeringsplannen.

De flexikoker in aanbouwEsso zou de raffinaderij in de Botlek moderniseren door een Flexikoker (een installatie voor het omzetten van zware residuolie in lichtere producten als, benzine, gasolie en gasvormige olieproducten) te bouwen en te investeren in een kolenvergasser. Via de NAM (Nederlandse Aardolie Maatschappij) wilde Esso (met partner Shell) meer investeren in de Noordzee (exploratie en olie- en gaswinning). Met die investeringen zouden ruim 5 miljard gulden gemoeid zijn. Verder had Exxon het plan om voor 3 miljard dollar in een omvangrijk kolenmijnproject (met o.m. toegangswegen, spoorverbindingen, vliegvelden, en een krachtcentrale) te investeren in Colombia. Aan dit project zou Esso voor 1,25 miljard gulden deelnemen. In 1983 zou dit op lopen tot 1,66 miljard gulden. Dat had niets met het investeren van de aardgaswinsten in Nederland te maken. Van Ardennen stelde het voor als een bijdrage in de Nederlandse energievoorziening (aanvoer van kolen).

De minister was tevreden over de besteding van de verwachte aardgaswinsten, maar 'in de vriendelijke en ongedwongen sfeer', zoals hij de gesprekken noemde, maakten Shell en Esso wel duidelijk dat ze in het buitenland zouden investeren als het Nederlandse beleid daar aanleiding toe gaf. Pas als rendementen hoog genoeg zijn investeerden Shell en Esso in Nederland. Herenakkoord of niet. Maar ze hadden grote belangen bij de winning en de distributie van het Nederlandse aardgas. Desondanks hield Van Aardenne vol, dat met het Herenakkoord Shell en Esso verplicht waren tot het doen van extra investeringen.

Montijn, president-directeur van Shell Nederland, zei dat Shell niet meer had gedaan, dan de regering een gespecificeerd overzicht geven in de investeringsplannen van Shell. Gerard Geraets schreef in de Volkskrant van 7 juni 1980 terecht, 'de druk van Den Haag is ver te zoeken'. Van Aardenne, gaf met het sluiten van het Herenakkoord zijn onderhandelingspositie uit handen.

UITVOERING

De Industriebond FNV twijfelde aan de uitvoering van de plannen van de oliemaatschappijen. Voor een deel leken de plannen van Esso vorm te krijgen. Op 25 februari 1981 gaf Esso aan het ingenieursbureau Fluor Nederland opdracht om voor 1,5 miljard gulden in de Botlek een Flexikoker te bouwen. Al na vier maanden besloot Esso echter de bouw van de Flexikoker te 'revalueren', omdat de kosten tweemaal zo hoog dreigden te worden als in 1980 begroot. Ir. H.J. Beverdam, directeur Esso-raffinaderij, verzekerde de Industriebond FNV, dat de heroverweging los stond van negatieve ontwikkelingen in de olie- en petrochemische industrie. Shell en Esso maakten op 21 augustus 1981 bekend, dat ze samen in Mossmorran (Schotland) voor 1,74 miljard gulden investeerden in een ethyleenkraker voor de voeding van het chemisch bedrijf van Esso in Schotland. Daarin investeerde Esso nog eens voor 1,82 miljard gulden. Volgens de Industriebond FNV moest dat, in een slinkende ethyleenmarkt, gevolgen hebben voor ethyleenproductie bij Shell-Moerdijk. Shell ontkende het, maar zo onlogisch was het niet: de ethyleenkraker in Pernis werd er het slachtoffer van en Esso sloot haar ethyleenfabriek in Duitsland.

De vooruitzichten in de olie- en in de chemische industrie waren somber. In oktober 1981 maakte Shell bekend, dat bij Shell-Pernis de productie van de Pernisser naftakraker (ethyleenproductie) werd beëindigd. En Lemij, toen directeur van de Shell-raffinaderij, zei op 11 november 1981, dat dit zou leiden tot 'een drastische vermindering van de doorzet van de raffinaderij in Pernis'. De (primaire) doorzet van de raffinaderij werd van 25 miljoen ton ruwe olie naar 15 ton teruggebracht. Montijn, president-directeur van Shell Nederland, zei, dat de inkrimping vooralsnog zonder gedwongen ontslagen kon worden bereikt.

Tegenwerking van de directie van GulfIn alle raffinaderijen werd de (primaire) verwerking van ruwe olie sterk ingekrompen. Shell stelde de beslissing over de bouw van de Hycon uit. Toen in november 1981 de olieprijzen daalden werden de plannen voor kolenvergassing zowel door Shell als Esso geschrapt. Tweede Kamerlid Van der Linden (CDA) vroeg aan Van Aardenne in hoeverre kolenvergassing een onderdeel vormde van het investeringsprogramma van de oliemaatschappijen in Nederland. Hij had blijkbaar zitten slapen toen Van Aardenne in 1980 de kolenvergassing nadrukkelijk presenteerde als een grote bijdrage van Shell en Esso voor het besteden van de aardgaswinsten in Nederland.

In september 1981 verdween Van Aardenne, als minister van economische zaken, even uit beeld. Hij werd opgevolgd door J. Terlouw van D66. De Tweede Kamer nam op 20 november 1981 een motie Woltgens (PvdA) en Engwirda (D66) aan, waarin Terlouw werd gevraagd om vóór 1 februari 1982 te rapporteren over de naleving van het Herenakkoord. Terlouw wilde Shell en Esso zelf uit laten maken hoe ze de aardgaswinsten besteden.

Esso besloot in december 1981 toch tot de bouw van de Flexikoker. De kosten werden nu op 2,5 miljard gulden geraamd: 1 miljard gulden meer en met een productie, die 26.000 vaten per dag lager lag dan de eerder genoemde 59.000 vaten. Met een kleinere installatie voldeed Esso met één klap voor 1 miljard gulden méér aan het Herenakkoord. Het riep bij de Industriebond FNV vragen op: hoe kunnen deskundige mensen, die elders in de wereld al eerder een Flexikoker hebben gebouwd zich voor maar liefst 1 miljard gulden vergissen op een installatie die nu bijna de helft minder gaat produceren? Die worden bij een Amerikaans bedrijf toch op staande voet ontslagen?

Op 8 december 1981, voordat een voortgangsrapportage in de Tweede kamer kwam, had ik samen met Ruud Huisman, kaderlid van de Industriebond FNV en OR-lid bij Gulf (nu Kuwait), W.L. van Schaik, haven en economische zaken van de gemeente Rotterdam en Henk Molenaar, directeur van het Rotterdamse Havenbedrijf, een gesprek met de kamercommissie voor economische zaken. Het gesprek was aangevraagd over het afstoten door Gulf van de raffinaderij in Europoort en over de negatieve ontwikkelingen in de chemische- en olie-industrie in de Rijnmond. Van de gelegenheid maakte ik gebruik om ook te praten over het vooruitschuiven en schrappen van investeringen uit het Herenakkoord en over het forse verlies aan arbeidsplaatsen bij Shell.

Bij de voortgangsrapportage, op 23 februari 1982, bleef Terlouw onveranderd tevreden over de investeringen van Shell en Esso. De kamerfracties van het CDA en de VVD waren ook tevreden. Zijn eigen partij, D66, was niet helemaal kritiekloos, maar ging niet verder dan de vraag om de overeenkomst te verduidelijken. Arie van der Hek, de woordvoerder van de PvdA, was teleurgesteld.

ONDERZOEK

De reïncarnatie van Hoogendijk? De Industriebond FNV was verre van tevreden. In de chemische- en olie-industrie in het Rijnmondgebied ging het niet goed met de werkgelegenheid. Door sluiting en verkoop van bedrijven, zoals bij de raffinaderijen van Gulf en Chevron, gingen arbeidsplaatsen verloren. Grote ondernemingen stootten producten met marginale winstcijfers af en er werd tegen lagere loonkosten (minder mensen) geproduceerd in een plattere organisatie (schrappen van middenkader). De directie van Gulf maakte het, bij het afstoten/verkoop van de raffinaderij, moeilijk voor de vakbeweging. We kregen geen toestemming om in de bedrijfskantine met de werknemers te vergaderingen. De werknemers bezetten de kantine en we vergaderden toch. Journalisten ontdekten, dat de Amerikaanse directie van Gulf zich in het geheim en tegen een aardige vergoeding liet adviseren door Ferrie Hoogendijk, toen journalist voor Elseviers Weekblad, Schmeltzer, Tweede Kamerlid voor de KVP en (oud) CNV-vakbondsbestuurder Bouke Roolvink.

De Industriebond FNV in Rotterdam had voor de werkgelegenheid belang bij investeringen in de Rijnmond. Nieuwe ontwikkelingen zouden de werkgelegenheid vergroten. Van Aardenne stelde een speciale departementale werkgroep in, die zich bezig hield met de voortgang en uitvoering van nieuwe investeringsplannen en met het aandeel van de Nederlandse industrie bij het aanbesteden van de bouw van installaties. De werkgroep had alleen de gegevens die de oliemaatschappijen verstrekten. Het ‘kleurde’ hun zicht. In het Herenakkoord was niets over controle op de uitvoering van de investeringsplannen afgesproken en vastgelegd. De minister had aan de Tweede Kamer toegezegd dat hij voortgangsrapportages zou geven. De Industriebond FNV was niet onder de indruk van het inzicht van de regering in de voortgang en de uitvoering en van het inzicht van de minister. Ze besloot zelf te onderzoeken wat er terecht kwam van de plannen van de twee oliemaatschappijen.

Via de Centrale Contact Commissie Shell (kaderleden uit verschillende vestigingen van Shell) en kaderleden bij Esso, beschikten we over de juiste informatie in de werkelijke investeringen. We vergeleken de informatie met de jaarlijkse voortgangsrapportages van de minister en toetsten die aan de investeringsplannen uit het Herenakkoord. We beoordeelden in hoeverre de investeringen voldeden aan de uitgangspunten van Van Aardenne bij het presenteren van het Herenakkoord: het scheppen van hooggekwalificeerde werkgelegenheid, de versterking van het raffinage en chemische complex, het dienen van de Nederlandse energievoorziening, het versterken van het Nederlandse researchpotentieel en de innoverende impulsen bij de bouw voor de Nederlandse toeleveringsindustrie.

Van Aardenne, die inmiddels Terlouw als minister van economische zaken weer was opgevolgd, zei in de voortgangsrapportage op 16 juni 1983, dat Shell en Esso het Herenakkoord 'concreet' uitvoerden en aan de bedoelingen beantwoorden. Dat bleek niet uit het onderzoek van de Industriebond FNV. De kolenvergassers waren uit de voornemens geschrapt. Bij Esso ging een investering in een phtaalzuur-anhydridefabriek niet door. Bij Shell verdween de SHOP (Shell Hoger Olifinen Project, voor verwerking van ethyleen) uit de investeringsplannen voor Moerdijk. In plaats van die investeringen voerden de oliemaatschappijen nu een groot aantal kleinere projecten op die voor een deel normale voortgangsinvesteringen waren en niet onder het Herenakkoord vielen. Shell en Esso verhoogden hun voornemen voor investeringen voor gas- en oliewinning bij de NAM in de Noordzee. Maar de investeringen in gas- en oliewinning in de Noordzee gingen op en neer met de olieprijs en waren geen gevolg van het Herenakkoord.

In een gesprek op 31 januari 1984 wees de Industriebond FNV Van Aardenne en zijn ambtenaren nog eens op het verschil in de plannen en de uitvoering van Shell en Esso en op de negatieve investering- en werkgelegenheidsontwikkeling in het algemeen. Van Aardenne luisterde, maar was alleen bereid om, vóór hij een voortgangsrapportage aan de Tweede Kamer gaf, het commentaar van de Industriebond FNV te horen. Hij kwam die belofte niet na.

INVESTERINGEN

Installatie voor het omzetten van zware- in lichte productenEr kwam wat schot in Shell’s investering in de bouw van een Hycon-installatie (voor de modernisering van de raffinaderij bij Shell-Pernis). In een vertrouwelijke bijeenkomst liet Shell 46 Nederlandse en Engelse topfunctionarissen discussiëren over de vraag welke soort grondstof (olie) het beste in een Hycon-installatie kon worden gebruikt. Zij kwamen tot de conclusie dat Maya-crude, een goedkope Venezolaanse olie die veel zware metalen bevatte, de beste mogelijkheden bood. De eerste investering voor de modernisering van de raffinaderij kwam in België terecht bij een fabriek van Shell voor katalysatoren in Gent. Shell bouwde er twee fabrieken voor het produceren van katalysatoren om o.m. zware metalen uit het Hycon-proces te verwijderen. De snelle verontreiniging van de katalysator zou later een van de hardnekkige kinderziekten van de Hycon-installatie blijken.

Bij Esso was de modernisering van de raffinaderij verder gevorderd. Op 19 september 1983 onthulde Van Aardenne een plaquette als de symbolische start voor de bouw van de flexikoker. R. Dahan, president-directeur zei, dat als Esso deze omvangrijke investering in Rotterdam niet deed de raffinaderij op den duur had moeten sluiten. Twee jaar eerder zei Esso-directeur Van Duivenbooden nog, dat de zorg van de Industriebond FNV over het voortbestaan van de raffinaderij ten onrechte was. Het aantal Nederlandse werknemers van aannemers dat bij de bouw van de flexikoker werd betrokken was veel lager dan de 4000 die Van Aardenne in het vooruitzicht had gesteld.

Shell begon op 29 augustus 1984, ruim 4,5 jaar na het afsluiten van het Herenakkoord, aan de bouw van de Hycon-installatie in Pernis: kosten 1.2 miljard gulden. Bij Shell was het de eerste echt vernieuwende investering uit het Herenakkoord. De Industriebond FNV was er mee ingenomen, maar vond het te weinig. Van Aardenne zei bij de presentatie van de voortgangsrapportage aan de Tweede Kamer op 17 september 1984, dat het totaal van de investeringsprogramma's van de beide maatschappijen het totaal van de gaswinsten overtroffen en dat er alleszins sprake was van een redelijke verhouding. Volgens hem werd bij de investeringen van Shell en Esso 'het Nederlandse bedrijfsleven in grote mate ingeschakeld'.

BRIEF OP POTEN

De Industriebond FNV vond dat niet en schreef, in overleg met de Centrale Contact Commissie Shell en kaderleden bij Esso, het rapport De Uitvoering van het Herenakkoord of het Shell Nederland beleid in Beeld. We toonden met cijfers aan dat Shell en Esso in onvoldoende mate aan de oorspronkelijke opzet, het scheppen van nieuwe hoogwaardige arbeidsplaatsen en versterking van de Nederlandse industrie, voldeed. We zonden het rapport aan minister Van Aardenne, aan minister De Koning van sociale zaken en werkgelegenheid, de gemeente Rotterdam, de directies van Shell en Esso, aan de pers, en aan ieder die het wilde hebben. Met de kamercommissie voor economische zaken sprak ik over ons rapport vóór de voortgangsrapportage in het Tweede Kamer werd behandeld.

Bij de voortgangsrapportage op 23 tot 25 oktober 1984 in de Tweede Kamer citeerden, Eshuis CPN, Willems PSP, Wagenaar RPF en Van Dis SGP uit het rapport of verwezen er naar. Dat deden zelfs woordvoerders van de regeringspartijen: Van der Linden CDA, Braams VVD en Engwirda D66, gebruikten de feiten, cijfers en gegevens uit het rapport. Het rapport gaf de effecten per investering gedetailleerder en duidelijker weer dan de voortgangsrapportage van de minister. In een motie Eshuis(CPN)/Van der Hek(PvdA), werd gevraagd, 'kennisnemende van het oordeel van de Industriebond FNV, om de investeringscriteria in heroverweging te nemen, daarbij het oordeel van de Industriebond FNV te betrekken en het resultaat zo spoedig mogelijk aan de Kamer mede te delen'.

Uit: Als het tij keert.In zijn beantwoording werd Van Aardenne erdoor gedwongen om uitvoerig op het rapport van de Industriebond in te gaan. Hij was het 'er in zekere zin nog wel mee eens, dat in innovatie opzicht het afvoeren van het Shopproject (Shell Hoger Olifinen Project) een negatieve factor was, maar hij vond het eenzijdig dat Esso's Flexikoker en Shell's Hycon niet als positieve factoren in het rapport werden genoemd'. Willems PSP interrumpeerde dat de Flexikoker en de Hycon, wel degelijk als positief in het rapport stonden. Volgens Van Aardenne zat het rapport er helemaal naast als het om de investeringen van de NAM ging. Volgens hem ging het om een ingewikkelde berekening. Maar zo ingewikkeld was die berekening niet en de NAM deed er niet geheimzinnig over. Ten onrechte rekende Van Aardenne de vaste operationele uitgaven als bijdrage aan het Herenakkoord mee. We schreven hem dat in een 'brief op poten'.

BALANS

Het Herenakkoord werd in de tweede periode van vijf jaar (1985 - 1989) afgezwakt. Van Aardenne ontsloeg de oliemaatschappijen van hun verplichting tot investeren. Hij vond dat de oliemaatschappijen het complexe besluitvormingsproces in vrijheid moesten kunnen nemen. 'De vrijheid van ondernemen is de beste garantie voor goede rendabele investeringen op het goede moment en op de goede plaats', zei hij. Daarmee gaf hij Shell en Esso een vrijbrief om de Nederlandse aardgaswinsten ook in het buitenland te investeren. Van Aardenne vond een jaarlijkse rapportage over projecten waarvan vaststond dat de uitvoering binnen afzienbare tijd zou aanvangen voldoende. Van de doelstelling van het Herenakkoord bleef weinig over.

De Industriebond FNV besloot om over de investeringen in eerste vijf jaar een balans op te maken. We stuurden de uitkomst tegelijk met het commentaar op de voortgangsrapportage van 4 september 1985 aan Van Aardenne en de Tweede Kamer. Onze conclusie was, dat Shell in die vijf jaar voor 1,47 miljard gulden te weinig had geïnvesteerd en Esso voor 2,47 miljard gulden. Voor Esso lieten we de desinvestering van de verkoop van de kunstmestfabriek zelfs buiten beschouwing.

Ook het aandeel van Nederlandse bedrijven in de bouw van de installaties waren lager dan Van Aardenne had voorgesteld. Dat bleek uit de bijeenkomst op 3 juni 1985 in het congrescentrum in Den Haag, waar ongeveer 1000 aannemers probeerden om orders voor de bouw van het Hycon-project in de wacht te slepen. De verwachtingen waren hoog gespannen. De regering had gezegd dat 70% van het werk door het Nederlandse bedrijfsleven zou worden uitgevoerd. Ir. C. Grooters, algemeen directeur van Shell Raffinaderij en Chemie in Pernis, temperde die hoge verwachtingen. De toewijzing van de orders zou gebeuren op basis van kwaliteit, financiële positie, productielocatie, veiligheid, ongeacht de nationaliteit van de inschrijver. Grooters probeerde de teleurstelling weg te nemen met de belofte, dat wanneer er een buitenlands bedrijf als beste uit de bus kwam, de offerte alsnog werd vergeleken met de beste Nederlandse concurrent. Maar inkoopleider Van Deursen temperde ook die verwachting: 'Als de 70% Nederlandse inbreng niet wordt gehaald, is niet Shell verantwoordelijk', zei hij.

Ondertussen bleef het personeelsbestand bij Shell en Esso teruggelopen. Op 1 januari 1985 waren er in vergelijking met 1 januari 1982 bij Shell Nederland 2155 arbeidsplaatsen verdwenen. In 1982 werkten bij Shell in Nederland nog 18115 werknemers. In 1985 daalde dat tot 16761 en in de jaren daarna daalde het verder. Bij Esso was de ontwikkeling niet anders, al viel dat door het kleinere personeelsbestand minder op. In 1982 werkten er nog 1448 werknemers bij Esso in Nederland en in 1985 liep dat terug tot 1388. Ook het door Van Aardenne voorgestelde versterkende effect op het researchpotentieel viel tegen: het aantal arbeidsplaatsen bij het Koninklijke Shell Laboratorium in Amsterdam (KSLA) daalde met 400 arbeidsplaatsen.

CONCLUSIE

De invloed van de regering op de oliemaatschappijen werd door het Herenakkoord niet vergroot. Het was voor de regering eerder een middel om te voorkomen dat de winsten van Shell en Esso op het Nederlandse aardgas (verder) werden afgeroomd. Het belang van Shell en Esso bij het Herenakkoord was groter dan die van de Nederlandse staat.

De Industriebond FNV maakte gretig gebruik van het Herenakkoord om de regering en de oliemaatschappijen onder druk te zetten en Tweede Kamer over de naleving van de juiste cijfers te voorzien. We zetten de oliemaatschappijen onder druk om hun beloften uit te voeren en werkgelegenheid in Nederland en de Rijnmond te scheppen. De directies vonden de inspanningen van de Industriebond FNV lastig. Dat bleek uit de vaak geïrriteerde reacties van Shell en Esso. Maar onze opvattingen en de rapporten werden serieus genomen. Er ontstonden met de gemeente Rotterdam, het Rotterdamse Havenbedrijf en de ambtenaren van het ministerie van economische zaken, en in zekere mate ook met de minister, intensieve contacten.

Met de daling van de olieprijs en daarmee de extra winst op het aardgas, verloor de discussie over het Herenakkoord aan kracht. Voor het verbeteren van de Nederlandse economie en de werkgelegenheid had de regering meer uit de winsten op het Nederlandse aardgas van Shell en Esso kunnen halen. De regering en een meerderheid van de politieke partijen in de Tweede Kamer beslisten anders.

Piet Scheele

e-mailadres: pscheele@chello.nl

naar boven

Of ga naar:
Fusie Oliecrisis Brand bij Shell Staking bij ICI Staking bij Shell Cyanamid en gezondheid 5-ploegendienst Johan Stekelenburg Link