terug naar menu.

Industriebond NVV/FNV

CYANAMID EN GEZONDHEID IN 1979

GIFTIGE STOFFEN.

logoDe Industriebond FNV was bezorgd over de gezondheid van werknemers bij het werken met giftige stoffen in de chemische industrie. Rob Symons schreef al op 9 november 1974 in Vrij Nederland onder de kop: 'Shell-arbeiders als onvrijwillige proefkonijnen', dat bij proeven op muizen de pesticiden Dieldrin en Aldrin, die o.a. door Shell-Pernis werden geproduceerd, was gebleken dat ze leverkanker konden veroorzaken. Piet Scheele vroeg Shell om commentaar. Volgens Shell waren er 'ondanks de soms zeer grote in het lichaam opgenomen hoeveelheden nooit tekenen van leverkwalen bij de werknemers in de pesticidenfabriek in Pernis ontdekt'. In Amerika werd de productie van Dieldrin en Aldrin echter verboden. De Daniël den Hoedkliniek had bij Shell-Pernis onderzoek gedaan naar de mogelijk kankerverwekkende gevolgen van het werken met PBNA (een antioxidant). De Industriebond FNV vroeg aan de Shell-directie om de resultaten van dat onderzoek. Op 16 januari 1979 antwoordde drs. E. Meinsma, directeur Shell-chemie in Pernis, dat PBNA, na een onderzoek door een van de bedrijfsartsen, door een andere antioxidant was vervangen. De werknemers waren regelmatig op symptomen van blaaskanker onderzocht, maar dat had, volgens Mijnsma, geen aanwijzingen gegeven dat het werken met PBNA schadelijke gevolgen had.

VOORSTEL TOT ONDERZOEK.

De Industriebond was er niet gerust op en eiste in het arbeidsvoorwaardenbeleid in de chemie en olie-industrie in het Rijnmondgebied in 1979 (opnieuw) een betere bescherming van werknemers. Het jaar daarvoor hadden de chemie-werkgevers zich nog fel verzet tegen een uitbreiding van de bestaande veiligheidstekst in de cao's en de bond verwachtte, dat het standpunt in 1979 niet anders zou zijn. Om aan de eis meer kracht te geven was een breed draagvlak onder de werknemers nodig. De Industriebond stelde de veiligheid in ledenvergaderingen aan de orde. De reactie van de leden was echter lauw. Bij Cyanamid in Rozenburg reageerden de leden in de avondvergadering helemaal niet en in de ochtendvergadering met alleen operators uit de middagploeg, nauwelijks. Toch hadden werknemers bij Cyanamid eerder over de arbeidsomstandigheden geklaagd. Het ziekteverzuim lag er hoger dan het gemiddelde in de chemie. Geïrriteerd over de lauwe reactie vroeg Piet Scheele, onderhandelaar van de Industriebond FNV, of er dan geen klachten waren. Wat gegeneerd lachend rolde één van de leden zijn hemdsmouwen en broekspijpen op, gevolgd door anderen: hun armen en benen zaten onder de rode vlekken.

CyanamidHet was duidelijk dat het bij Cyanamid niet bij het aanscherpen van een veiligheidstekst kon blijven. Om de gezondheid van de werknemers te beschermen waren verdergaande eisen nodig. De bond stelde de directie van Cyanamid voor om samen, en met de arbeidsinspectie Rotterdam, een breed en onafhankelijk onderzoek in te stellen naar de aard van de stoffen waarmee werd gewerkt, naar de effecten op de gezondheid van de werknemers en hoe en welke maatregelen er direct en op langere termijn getroffen konden worden om aanraking met voor de gezondheid gevaarlijke stoffen te voorkomen. De directie wees het voorstel af.

Op 29 november 1979, sprak Piet Scheele met Van der Hoeden, bedrijfsarts bij Cyanamid. Dat leverde niets op. De Arbeidsinspectie bleek evenmin gecharmeerd van een gezamenlijk onderzoek. Op 29 januari 1980 sprak Piet Scheele met dokter Vogelenzang, hoofdgeneeskundige bij het Directoraat-generaal van de Arbeid, die als geneeskundige van de arbeidsinspectie in Zuid-Holland een honderdtal chemische bedrijven onder zijn hoede had, en met het hoofd van de arbeidsinspectie in Rotterdam drs. F.J. Janssen, over de arbeidsomstandigheden bij Cyanamid. Een geïrriteerde Vogelenzang zei, dat er bij Cyanamid niets aan de hand was. Zelfs Janssen schudde over zoveel onbegrip het hoofd. Vogelenzang wees een gezamenlijk onderzoek af. In maart 1980 schreef hij aan J.A. van der Hoeden, de bedrijfsarts bij Cyanamid, dat 'herhaaldelijke bedrijfsinspecties geen enkele grond opleverden om in te gaan op een onderzoek, dat de Industriebond FNV vraagt'. Volgens hem was er 'geen enkel bewijs dat een dergelijk onderzoek noodzakelijk was'.

KLACHTEN.

Maar bij Cyanamid waren er genoeg klachten geweest om een onderzoek te rechtvaardigen. In 1974 had de Industriebond FNV aan de directie, en de arbeidsinspectie, vragen gesteld over twee vermoedelijke gevallen van leukemie in de AMD-fabriek en over een klacht over aantasting van het De CSPcentrale zenuwstelsel. In 1977 waren er klachten over schadelijke gevolgen bij de verwerking van DMS. In januari 1978 werden, na een DMS-ontsnapping, zeven operators voor observatie naar de BGD gebracht. In de CSP-plant kwam in 1979, na een lekkage, een werknemer in aanraking met zwaveldichloride. Volgens het rapport van de bedrijfsarts hadden in augustus 1979 zeven werknemers een AMD-intoxicatie (vergiftiging) opgelopen, 10 werknemers hadden 'naar alle waarschijnlijkheid' een DMS-intoxicatie, en zeven werknemers hadden last van een so2-intoxicatie. In februari 1979 werd er geklaagd over stofoverlast bij het vullen en aftappen van tuimeldrogers en bij het lossen van 'centrifugelading' bij het UV-1084 proces en over een te hoge ACN-dosering. Er waren genoeg klachten om een onderzoek te rechtvaardigen, maar de directie, de bedrijfsarts noch Vogelenzang wilden een onderzoek zoals de Industriebond voorstelde.

Tweede van links Gerrit Voordenhout, vierde van links Piet ScheeleCyanamid produceerde een groot aantal chemische specialiteiten met een grote verscheidenheid aan chemische grondstoffen. Het effect op de gezondheid van de werknemers van veel van die stoffen was onvoldoende bekend. Kaderleden van de bond bij Cyanamid vertrouwden het werken met de stof formaldehyde niet. Uit vaten werd de formaldehyde via een open mangat in een reactievat gestort. Daar zaten al stoffen in als dhimethylamine (IMA) en acrill-amide (AMD). Bij de toevoeging van zwavelzuur kwamen kwalijke dampen vrij. De werknemers vermoedden dat er dichloordimethyleter, een giftig gas, werd gevormd. Na vele klachten werd in januari 1979 het vullen via een open mangat door een gesloten systeem vervangen en werd het afzuigsysteem verbeterd. De kaderleden vertrouwden meer stoffen niet zoals styreen, benzeen, enz., al dan niet in combinatie met elkaar. Er werd bij Cyanamid ook gewerkt met acrilnitril (ANC). Later bleek uit een epidemiologisch onderzoek, onder werknemers van het Amerikaanse chemische concern Du Pont, waar vanaf 1950 met acrilnitril werd gewerkt, een verhoogde kans bestond op kankervorming. Voor de productie van o.m. UV-1084 en Superfloc werden stoffen gebruikt als nikkelsulfaat, tolueen, phenol en dimethylamide, die kankerverwekkende eigenschappen hebben. Het stoof er zo dat het 'de groene hel' werd genoemd. De werknemers vertrouwden de uitkomsten van de luchtmonsters niet. De werknemers droegen in de fabrieken 'snuffeldozen' om de hals waarmee luchtmonsters werden genomen. Ze hingen een snuffeldoos in een reactievat: de uitkomst van het monster bleef dezelfde.

Gerrit Voordenhout, voorzitter van de blg (bedrijfsledengroep) van de Industriebond FNV bij Cyanamid, klaagde bij zijn huisarts over hoofdpijn, verkoudheden, spierpijn, krampen, ontstoken ogen. Dat waren symptomen waar meer werknemers last van hadden. De huisarts gaf als verklaring, overspannenheid en te veel roken, maar sloot toch niet uit dat de symptomen ook door het werken met chemische stoffen konden worden veroorzaakt. Twee dagen later wilde de arts er niet meer over praten. Gerrit Voordenhout vermoedde dat er contact was geweest met de bedrijfsarts. Op 27 februari 1979 klaagde Voordenhout bij de arbeidsinspectie over stof. Van Hummelen, inspecteur bij de arbeidsinspectie in Rotterdam, nam poolshoogte, maar volgens het rapport van de arbeidsinspectie 'zag de plant er goed uit'. De klacht werd toch aan Vogelenzang, de geneeskundig inspecteur van de arbeidsinspectie in Rotterdam, doorgegeven .

Uit de brochure van de Industriebond FNVDokter Vogelenzang viel op 23 maart 1979 onaangekondigd bij de zieke Voordenhout thuis binnen. Hij zei, dat hij bij Cyanamid geen prikkelende dampen, stof of stank had geconstateerd. Hij voegde er volgens Voordenhout en zijn vrouw aan toe, dat hij bij Voordenhout een gezond persoon aantrof die teveel rookte, 'waar je ook uitgedroogde slijmvliezen van kon krijgen'. Voordenhout was woedend. Het vertrouwen in de arbeidsinspectie was onder werknemers toch al niet groot en het onaangekondigd bezoek van Vogelenzang maakte het er niet beter op. Werknemers verweten de arbeidsinspectie dat ze op hun klachten nooit onaangekondigd het bedrijf binnen kwamen vallen. Als ze kwamen 'gingen ze eerst met de baas in het kantoortje praten'.

HET ONDERZOEK VAN DE INDUSTRIEBOND FNV.

De Industriebond FNV liet het niet bij de afwijzing door de directie van een gezamenlijk onderzoek zitten en begon een eigen onderzoek naar de arbeidsomstandigheden bij Cyanamid. Ze zocht voor ondersteuning contact met de 'Bond van Wetenschappelijke Onderzoekers' en met wetenschappelijke groepen bij universiteiten. Kaderleden van de Industriebond bij Cyanamid legden contact met de Chemiewinkel in Leiden, een organisatie van studenten en afgestudeerde scheikundigen van de Rijksuniversiteit Leiden, die eerder bij een onderzoek van de Industriebond FNV waren betrokken. Zij waren bereid om, samen met de Industriebond, een onderzoek naar de arbeidsomstandigheden bij Cyanamid in te stellen. De bond vroeg de directie van Cyanamid toestemming om het onderzoek op het bedrijf te houden. Dat werd geweigerd. De tegenwerking van de directie van Cyanamid, van de bedrijfsarts en van de geneeskundige van de arbeidsinspectie Vogelenzang, belette de Industriebond niet om in januari 1980 het onderzoek te starten.

De medewerking van de werknemers was groot. Van de 300 personeelsleden deden er 147 aan het onderzoek mee. Ze vulden vragenlijsten in over de fysieke klachten en met welke stoffen er werd gewerkt. De Industriebond wilde zo snel mogelijk met een onderzoeksresultaat komen, om de druk op de directie te verhogen. In april 1981 bracht ze de uitkomsten van het onderzoek met een brochure `Veilig Werk in de Chemie' geschreven door Jeroen Terlingen, naar buiten. Het onderzoek concludeerde, dat de oorzaak van de klachten aan de blootstelling van werknemers aan een groot aantal chemicaliën, waarvan vele met zeer schadelijke gevolgen voor de gezondheid, lag. Met concrete punten werd aangegeven welke maatregelen getroffen dienden te worden om de blootstelling aan schadelijke chemische stoffen te voorkomen.

De fabriekHet onderzoek van de Industriebond benauwde bedrijfsdirecteur, ir. W. Bouman. Volgens hem zou het onderzoek, 'door zijn kleinschaligheid en uiterst beperkte opzet tot onjuiste uitkomsten leiden'. Hij had daarvoor zelf een groter en gezamenlijk onderzoek afgewezen. Het onderzoek van de Industriebond dwong de directie om zelf met een onderzoek te beginnen. Ze gaf aan het Bureau Humanisering van de Arbeid van TNO opdracht om 'heel nadrukkelijk aandacht te besteden aan de arbeidssituatie'. Ir. C.K. Pasmooij, van Bureau Humanisering van Arbeid TNO, werd door de directie met het onderzoek belast. Bij zijn onderzoek betrok hij het Fysisch Chemisch Instituut TNO, het Nederlands Instituut voor Preventieve Gezondheidszorg TNO, de Hoofdgroep Maatschappelijke Technologie TNO, en de Nederlandse Organisatie Kring (NOK) met o.a. P.J.M. Felix.

Door de publicatie van het onderzoek van de Industriebond FNV kreeg de directie van Cyanamid haast om het onderzoek van TNO zo snel mogelijk af te ronden. Ze hoopte, dat het tot een mildere conclusie zou leiden. De uitkomst viel de directie zwaar tegen. Het Vrije Volk bracht onder de kop, 'Cyanamid maakt veel mensen ziek, TNO-onderzoek bevestigd vakbondsrapport' de conclusie naar buiten: 'De werknemers worden onnodig veel blootgesteld aan de vele giftige stoffen. De bedrijfsleiding zit te veel onder de plak van het Amerikaanse moederbedrijf. Voor uitgaven die de 10.000 dollar te boven gaan is vaak toestemming van het Amerikaanse moederbedrijf nodig. Door het personeel gewenste verbeteringen worden uit financiële redenen verworpen'. En, 'Cyanamid dient te streven naar een betere verstandhouding met de vakbond'. Daarmee onderschreef het TNO de conclusies van het onderzoek van de Industriebond.

De conclusies van beide rapporten waren voor Vogelenzang, de geneeskundige van de arbeidsinspectie en voor Van der Hoede, de bedrijfsarts bij Cyanamid, vernietigend. Zij waren, naast de directie van Cyanamid, mede verantwoordelijk voor het veiligheid- en gezondheidsbeleid bij het bedrijf. Ze hadden beweerd dat er bij Cyanamid niets aan de hand was en nu bleek uit het rapport van TNO en van de vakbond, dat er in 162 grote en kleine gevallen veel aan mankeerde.

De aanbevelingen in het TNO-rapport maakte de houding van de directie ten opzichte van de Industriebond niet soepeler. Cyanamid weerde zoveel als mogelijk was de Industriebond. Pas in november/december lichtte de directie de Industriebond officieel in over het TNO-rapport. De bezwarende conclusies van de twee onderzoeken kon de directie moeilijk naast zich neer leggen. Ze 'concretiseerde de aanbevelingen, woog alternatieven af, begrootte daarvan de kosten en stelde een tijdsplan op voor de uitvoering op korte en lange termijn'.

De AvengeUiteindelijk kwam de directie, op 18 december 1981, met een uitgebreid plan om in de 162 knelpunten activiteiten te ondernemen om de arbeidsomstandigheden te verbeteren. Met de Industriebond werd in vervolgbesprekingen het plan verder aangepast. De or moest op de uitvoering toezien. Het had de Industriebond FNV heel wat moeite gekost om de directie van Cyanamid tot een planmatige aanpak te dwingen en de arbeidsomstandigheden bij Cyanamid te verbeteren.

ARTSEN ONDER ELKAAR

Het onderzoek van de Industriebond FNV veroorzaakte onenigheid tussen artsen. De Industriebond had hulp gekregen van een Rotterdamse huisarts. In het algemeen waren artsen huiverig om uitspraken te doen over de effecten van het werken met chemische stoffen. Ze wisten er ook weinig van. De werknemers bij Cyanamid kregen van hun huisarts noch van de bedrijfsarts bij Cyanamid, Van der Hoeden noch van de geneeskundige van de arbeidsinspectie Vogelenzang, antwoord op hun vraag of hun fysieke klachten veroorzaakt konden worden door het werken met chemische stoffen. Ze werden met een kluitje in het riet gestuurd.

De werknemers namen er geen genoegen mee. Een paar kaderleden van de Industriebond FNV kwamen in het sportcentrum in Rozenburg in gesprek met de Rotterdamse huisarts D.G. de Jong. Ze verweten, dat huisartsen de gezondheidsklachten van werknemers niet serieus namen. De Jong verweerde zich; hij onderzocht serieus patiënten met klachten over het werken met chemische stoffen. De kaderleden vroegen hem om een aantal werknemers te onderzoeken, die geen gehoor hadden gevonden bij hun huisarts noch bij de bedrijfsarts.

De Jong ging er op in en onderzocht een klein aantal werknemers. Hij ging na of hun ziektesymptomen veroorzaakt konden zijn door de stoffen waarmee zij werkten. Op 22 januari 1980 zond hij een rapport van dat onderzoek aan de Industriebond FNV, die het wat hem betrof 'naar eigen goeddunken kon gebruiken'. Hij concludeerde: 'Een aantal feiten en vermoedens zijn aan het licht gekomen, die wat mij betreft leiden tot bezorgdheid voor de gezondheid van de werknemers'. Hij constateerde o.a. aantasting van het centraal zenuwstelsel, verstoring van het evenwichtsgevoel, irritatie aan slijmvliezen, longafwijkingen en huidaandoeningen, 'die mogelijk verband kunnen houden met aanraking van stoffen die bij Cyanamid in de productie worden gebruikt'. Het rapport had betrekking op slechts een klein aantal werknemers en de wetenschappelijke waarde was niet groot. Maar voor de Industriebond was het van groot belang. Het gaf een medische onderbouwing van de eis van de Industriebond voor een onderzoek naar de arbeidsomstandigheden bij Cyanamid.

Piet Scheele zond de conclusies van het rapport van de arts, zonder de naam van de huisarts te noemen, aan de directie en tevens aan het hoofd van de arbeidsinspectie in Rotterdam, drs. F.J. Janssen. De verantwoordelijke artsen bij Cyanamid voelden zich bedreigd en reageerden als gebeten. De directie vond de conclusie uit het rapport uitermate ernstig, maar zag er geen reden in om toch met een gezamenlijk onderzoek akkoord te gaan. De arbeidsinspectie schreef op 20 februari 1980, 'dat dezerzijds een intensief en uitvoerig onderzoek naar deze aangelegenheid wordt ingesteld'. De reacties waren niet hoop gevend. Om de directie en de arbeidsinspectie onder druk te zetten zond Piet Scheele de conclusies van het rapport nu ook aan het dagblad Het Vrije Volk, eveneens zonder de naam van de huisarts te noemen. Het Vrije Volk schreef onder de kop 'Bedrijf doet niet mee aan onderzoek' over het onderzoek van de arts.

Met hun contacten in medische kringen was het voor de woedende Vogelenzang en Van der Hoeden niet moeilijk achter de naam van de huisarts te komen. Ze wilden de namen van de onderzochte werknemers en zetten huisarts Dick de Jong onder druk om die te noemen. De Jong weigerde met een beroep op zijn beroepsgeheim. Hij schreef Vogelenzang een keurige brief over de motieven waarom hij de anonimiteit van de werknemers garandeerde.

De verongelijkte Vogelenzang liet het er niet bij. Na een gesprek in Den Haag tussen o.a., De Jong, Buysert (de Geneeskundig Inspecteur van Zuid-Holland) en Vogelenzang werd De Jong tot 10 april de tijd gegeven om de namen van de onderzochte werknemers te noemen. Weigerde hij, dan zou de kwestie voor het Medisch Tuchtcollege worden gebracht. Buysert probeerde de affaire terug te brengen tot 'een domheid van een jonge onervaren collega', en Vogelenzang legde de schuld bij de Industriebond en de 'onterecht klagende werknemers'. Hij vond Cyanamid het veiligste bedrijf in de Rijnmond en volgens hem had: 'Bedrijfsarts J.A. van der Hoeden met zijn commentaar, dat verder niemand kende, de conclusies van het rapport op overtuigende wijze weerlegt'.

Van der Hoeden vond op zijn beurt, dat het rapport en het onderzoek van de Industriebond, 'mijn eer en goede naam aantasten'. Hij wilde 'stappen tot zuiveren van zijn eigen persoon'. Toch was er wrijving tussen Van der Hoeden en Vogelenzang. In een interview met Jeroen Terlingen in Vrij Nederland van 29 mei 1982, zei Van der Hoeden: 'Als je het spel niet volgens zijn (Vogelenzangs) spelregels speelt is het een onmogelijk stuk vreten'.

Piet Scheele in auto met geluidsinstallatieGelijktijdig met het conflict bij Cyanamid voerde de Industriebond FNV in 1980 een landelijke actie tegen de loonmaatregel van de regering, die de aanvulling op de ziektewet in de reeds afgesloten cao's ongedaan maakte. In de chemische industrie beperkte de actie zich tot poort- en kantineacties waarbij de werknemers in de kantine werden toegesproken.

Ook bij Cyanamid wilde Piet Scheele de werknemers in de kantine toespreken. Maar veiligheidsinspecteur Van Bedaf van Cyanamid versperde de weg. Een verslaggever van Het Vrije Volk schreef: 'Over mijn body, zei een forse veiligheidsbeambte tegen de kleinste vakbondsbestuurder van ons land'. Er stonden handlangers Van Bedaf met een brandslang gereed. Het praatje in de kantine ging niet door. De werknemers kwamen zelf naar de poort en de demonstratie bij Cyanamid tegen het regeringsbeleid werd een succes. Bij Cyanamid bleef het niet bij een demonstratie. Na een 'spontane staking' over de stofoverlast in de 'groene hel', de weigering om een gezamenlijk onderzoek in te stellen en de tegenwerking bij de kantineactie, liep het ongenoegen hoog op. In een ledenvergadering werd besloten om bij Cyanamid op 4 maart 1980 voor 24 uur tegen het regeringsbeleid in staking te gaan. De directie probeerde de leden van het actiecomité, waarvan ze vermoedde dat zij ook bij het onderzoek van dokter De Jong betrokken waren, te intimideren. Naast de Industriebond FNV, die als rechtspersoon de staking had uitgeroepen, ontvingen Gerrit Voordenhout, Martin Behrens, Rob Huisman, Jaap Kiela en Kees de Haan een brief van de directie, waarin zij persoonlijk aansprakelijk werden gesteld voor 'alle schaden en kosten'. Het moest 'als een formele berisping worden beschouwd'. De Industriebond FNV maakte bezwaar tegen het aansprakelijk stellen van leden en de directie trok de brief weer in.

HET MEDISCH TUCHTCOLLEGE.

In de ogen van Vogelenzang en Van der Hoeden was dokter De Jong een verrader: hij doorbrak de beslotenheid van de medische stand. De Geneeskundig Inspecteur van Zuid-Holland, L.C. Buysert, daagde op 14 april 1982 Dick de Jong voor het Medisch Tuchtcollege. Hij werd er van beschuldigd dat hij 'een onderzoek had gedaan onder een aantal werknemers die niet zijn patiënten waren, een rapport aan de Industriebond FNV in Rotterdam had gezonden, waarin hij het vermoeden uitsprak dat hun medische klachten veroorzaakt konden worden door de giftige stoffen waarmee zij werkten, en 'het vertrouwen in de stand der geneeskunde had ondermijnd'. Hem werd tevens verweten, dat hij weigerde de namen van de onderzochte werknemers aan de arbeidsinspectie en de bedrijfsarts te verstrekken, verzuimd had om de arbeidsinspectie in Rotterdam en de bedrijfsarts bij Cyanamid in te lichten en geen rectificatie aan de redactie van Het Vrije Volk had gevraagd voor een bericht, naar aanleiding van opmerkingen van de Industriebond FNV, over de arbeidsomstandigheden bij Cyanamid. Het geding ging duidelijk over het doorbreken van een ongeschreven artsencode. De bescherming van de gezondheid van werknemers in hun arbeidssituatie speelde geen rol.

De directie van Cyanamid wilde liever geen proces. Hoewel ze verwachtte, dat de zitting van het tuchtcollege in beslotenheid zou plaatsvinden (doktoren tegen wie een klacht wordt ingediend hebben meestal geen belang bij openbaarheid) vreesde ze de publiciteit. En dat kwam er. Dokter de Jong vroeg om een openbare behandeling en dat trok publiciteit: een openbare zitting van het Medisch Tuchtcollege was nieuws.

Tijdens de zitting vroeg Mr. Pronk, president van het tuchtcollege, aan Vogelenzang of hij het onthullende en belastende rapport, dat TNO over het ziekteverzuim en de arbeidsomstandigheden bij Cyanamid had uitgebracht, kende. Vogelenzang gaf uiterst geprikkeld toe dat te kennen, maar voegde er aan toe: 'Dat doet hier niet ter zake, niet Cyanamid staat hier terecht maar een huisarts'. Het veroorzaakte hilariteit in de zaal. Het gebeurde nog een keer toen Vogelenzang, op de vraag van de advocaat van De Jong of hij de stellingen van het TNO-rapport onderschreef, pinnig en met afgrijzen antwoordde die 'niet te onderschrijven'.

Op 19 mei 1982 deed het Tuchtcollege uitspraak: 'Patiënten hebben recht op het oordeel van een arts in wie zij vertrouwen stellen, ook al is de arts niet hun huisarts en niet de bedrijfsarts van de patiënten'. Het geheimhouden van de namen van de onderzochte werknemers werd dokter De Jong niet verweten, 'omdat de patiënten daar nadrukkelijk om verzocht hadden'. Ongepast gebruik van het rapport door derden (de Industriebond FNV) kon de huisarts niet worden aangewreven.

L. de Boer, voorzitter van de Nederlandse Vereniging van Arbeids- en Bedrijfsartsen, noemde in het NRC/Handelsblad van 21 mei, de uitspraak 'in het belang van de gezondheid van werknemers' en Prof. dr. H.J. van Aalderen van de Vrije Universiteit van Amsterdam, vond het verontrustend dat het opkomen voor bezorgde werknemers tot een proces had geleid.

De negatieve perscommentaren belette de Inspectie van de Gezondheid niet om in hoger beroep te gaan. Het geding diende op 16 juni 1983 in Den Haag voor het Centraal Medisch Tuchtcollege. Op slechts één onderdeel paste het Centraal Tuchtcollege de eerdere uitspraak aan: het college viel over de kwaliteit van het rapport van De Jong. Er was geen Centraal Tuchtcollege voor nodig om dat vast te stellen. Het rapport was niet meer dan een signaal. De Jong werd 'berispt' omdat 'alleen deskundigen konden inzien dat zijn rapport bedoeld was om nader te onderzoeken of er verband bestaat tussen de gezondheid van de werknemers bij Cyanamid en de chemische stoffen waarmee ze werkten'.

WINST.

De winst voor de Industriebond en de werknemers van Cyanamid van de twee onderzoeken was, dat bij Cyanamid maatregelen werden getroffen om aanraking met giftige stoffen te voorkomen. Het conflict maakte veel los. Het had moeite gekost om de directie, de bedrijfsgeneeskundige dienst en de arbeidsinspectie (tot in de hoogste regionen) in beweging te krijgen, maar het was gelukt. Het werkte door naar het veiligheidsbeleid bij andere chemiebedrijven.

Piet Scheele.

e-mailadres: pscheele@chello.nl

naar boven

Of ga naar:
Fusie Oliecrisis Brand bij Shell Staking bij ICI Staking bij Shell 5-ploegendienst Aardgaswinsten Johan Stekelenburg Link