terug naar menu
Een 'oprisping van nostalgie' naar aanleiding van het boek van Jeroen Terlingen Allemans VRIEND: het levensverhaal van Johan Stekelenburg. Gebaseerd op de mail die ik Jeroen schreef.
Hoy Jeroen,
Een oud mens heeft veel verleden en weinig of geen vooruitzichten en dan gaat een mens zich meer met het verleden bezig houden. Dat is soms ingrijpend. Om een antwoord te vinden waarom het tussen Johan en mij niet boterde, heeft je boek me geholpen. Om mijn fouten niet onder te belichten: ik was vroeger erg verlegen en had geen hoge dunk van me zelf. Om mijn kwetsbaarheid te beschermen, zal ik in de tijd in Indië wel al een pantser hebben opgetrokken. Als ik iemand niet vertrouwde maakte dat de omgang niet gemakkelijker. Toch had ik iemand nodig waar ik ‘tegen aan kon praten’.
Het ging al direct niet goed tussen Johan en mij toen hij in Rotterdam kwam. Ik vermoedde dat het kwam omdat hij me als 52-jarige en oud ABC-man (Algemene Bedrijfsgroepen Centrale) niet zag zitten. Bij de Shell-staking ging het helemaal mis. Ik wilde problemen vermijden, die we in 1977 bij de stakingen bij ICI en Cyanamid hadden ondervonden. Johan wilde er niet eens over praten. (Nog geen jaar later was hij toch niet vies van een nieuw idee van estafettestakingen, toen een langer durende staking per bedrijf er niet inzat).
Tijdens de eerste stakingsdag - ik had al vermoeiende weken onderhandelen en stakingsvoorbereiding achter de rug - werd ik na de zenuwslopende eerste stakingsdag door Joop Daalmeijer (Vara, Achter het Nieuws) voor een Shell-poort geïnterviewd en gefilmd. Daalmeijer wilde een pakkend slot voor zijn item en wilde me laten zeggen, dat 'het de dag van mijn leven was'. Het was een hectische dag op weg naar het versterken van onze onderhandelingspositie en het doorbreken van de barricade die Shell, ook voor de andere chemische bedrijven in de Rijnmond, opwierp. Ik besefte heel goed, dat ik na de staking weer met Shell aan de onderhandelingstafel zou zitten en wilde mijn integriteit voor een item van Daalmeijer niet verliezen. Boos legde Daalmeijer de uitspraak toen maar ‘in mijn mond’. Met Daalmeijer werd het niet meer goed. De tijd was voorbij, dat hij zuigend, aimabel
Blij over de geslaagde eerste stakingsdag ging ik naar het actiecentrum. Johan stond met Jan de Jong (bondsbestuurder) op de stoep. Verder stonden er een paar stakers en wat journalisten. Johan verweet me, dat ik het op de tv niet goed had gedaan al was zijn concreet argument niet meer dan,'dat ik te vaak over mijn droge lippen likte'. Het was zelfs Jan de Jong, die later door Gerard Krul (daarvoor hoofdredacteur van Het Vrije Volk) werd omschreven als 'de mooiste bandiet van de Industriebond', te gortig. 'Naar binnen', zei hij. Maar binnen zei Johan niets meer. Ik was beduusd, verwonderd en gekwetst. Tijdens de staking besliste Johan zaken zonder me erin te kennen. Maar vanaf de dag na de staking legde hij me in de ruim drie jaar weinig of niets meer in de weg. Bij mij bleef het gebeurde toch hangen. Ik begreep het waarom van die opmerking en van zijn handelen niet. Bij Johan lagen zijn politieke ambities nooit ver weg.
De onderhandelingen vóór de staking leerden me dat in het 'rattennest' van verschillende opvattingen en belangen in directievergaderingen, vooral in een groot bedrijf, de directeur sociale zaken niet de belangrijkste rol speelt. In die rol is hij toch meer de ouderwetse pastoor die het volk onwetend en gehoorzaam moet houden. Als het bij de onderhandelingen na de staking weer uit de hand dreigde te lopen belde ik de algemeen directeur in Pernis en in Moerdijk, zodat zij op de hoogte waren van onze opvattingen en niet alleen hoefden af te gaan op wat de eigen onderhandelaar hen vertelde. Zij zouden het belang van de productie zwaarder laten wegen.
Ik begreep wel dat Johan grote ambities had. Pas uit het boek werd me de ijdelheid van Johan duidelijk. Het was voor mij een 'eye-opener'. Achteraf vind ik me behoorlijk naïef. Als het alleen dat was geweest dan had ik er met hem misschien over kunnen praten. Maar in je boek zegt ergens zijn zoon Douwe over Johan o.m.:'…razendsnel een gezelschap inschatten, wie ertoe doet en wie niet …'. Dat komt dicht bij mijn eerste gedachte: ik deed er bij Johan niet toe of hij wilde dat ik er niet toe deed. De weken rond de Shell-staking met Johan als districtshoofd waren niet plezierig. Later ging het beter. Vertrouwelijk werden we nooit.
Al ver voor Johan naar Rotterdam kwam wist ik, dat je er bij het veelal hoger opgeleid personeel in de petrochemische industrie niet met radicale slogans kwam. Ik was wel voorzichtig en precies, maar meer een denker over de keuzes die naar succes konden leiden en het inschatten van de gevolgen van die keuzes. De denkwijze tussen Johan en mij verschilde. Dat blijkt vooral uit de opvatting na de afloop van de Shell-staking. Johan straalde een verloren staking uit en ik zag het als een geslaagde staking. Nauwelijks een half jaar later deelde Shell, in een vergadering met de andere werkgevers in de petrochemie mee, dat zij de bonden een voorstel zou doen tot verder arbeidsverkorting en hief de blokkade voor de andere werkgevers op. De ondernemingsraadsverkiezing bij Shell, kort na de staking, was een succes voor de Industriebond NVV/NKV: in Pernis behaalde de Industriebond bijna een absolute meerderheid en in Moerdijk werd de al bestaande meerderheid vergroot.
Aan het conflict tussen Dick Visser en Johan om het voorzitterschap van de Industriebond in 1981/1982 heb ik geen goede herinnering. Arie Groenevelt deelde mee, dat hij zou aftreden en schoof Dick Visser naar voren als kandidaat-voorzitter. Geen gelukkige keuze zoals later uit de ruzies op het bondskantoor onder Visser zou blijken. Een aantal districtbestuurders in het land, vooral in Rotterdam, Gelderland en Den Haag, zagen Visser als bondsvoorzitter niet zitten en wilden Johan als tegenkandidaat stellen (via afdelingen en districtsraad) en belegden een 'geheime' - wat blijft er in een bond geheim? - districtbestuurderbijeenkomst in café Engels in Rotterdam om de aarzelende Stekelenburg over te halen ja te zeggen. In de bond waren nog al
In het conflict vervulden in ons team (naast Johan) twee collega's een hoofdrol. Dick Nas was in Rotterdam de animator. Nas zegt in Allemans VRIEND, dat eerst vooral de manier van kandidaatstelling hem tegen de borst stuitte en niet zozeer de kandidaat Visser. Hij en anderen kwamen pas in het geweer toen Arie Groenevelt Visser als kandidaat-voorzitter naar voren schoof. Als Groenevelt Johan als kandidaat-voorzitter had voorgesteld, dan was er (voor hen) geen conflict geweest. Ruud Vreeman, hoofd Scholing en Vorming, was duidelijker: toen de kandidatuur van Visser bekend werd ging hij naar Groenevelt en zei: 'Dit moet je niet doen'. Herman Berkhout vervulde in Rotterdam eveneens een hoofdrol, maar meer in de rol van 'dubbelspion': hij informeerde beide partijen. Ik was voor een verdere democratisering in de bond, maar vond dat die bij de leden moest liggen en niet bij districtbestuurders.
Toch had ik een voorkeur voor Johan als kandidaat-voorzitter boven Dick Visser. Dick kende ik niet echt. Ik hoopte dat Johan van zijn fouten zou hebben geleerd en dat hij met zijn gulle lach, ook als er niets te lachen viel, zijn charisma en zijn aimabele manier van mensen benaderen een goede voorzitter kon zijn. Johan zei tegen de mensen die hem steunden, dat hij een kandidatuur zou aanvaarden. In feite was het een onomkeerbaar besluit. Hij kwam er later toch op terug. Hij besefte blijkbaar niet dat hij zich zelf daarmee op een zijspoor rangeerde. Misschien had hij een vooruitziende blik: hij werd gered, door het FNV en het ruziënde bondsbestuur onder Dick Visser.
Vrijdagsavonds ging ik voor de contacten soms naar café De Schouw in de Witte de Withstraat, waar je journalisten van Het Vrije Volk en het Rotterdams Nieuwsblad ontmoette. Voor mij een prima tijd. Toen Johan kwam wilde Hans Beenhakker hem kennis laten maken met De Schouw en vertelde hem vooraf smakelijke verhalen. We waren er een tijd niet geweest. Toen Johan met Hans binnen kwam reageerde de barman nauwelijks. Toen ik even later binnen kwam stak de barman zijn hand uit om me te begroeten. Dat begreep Johan niet. Ik betaalde altijd direct het biertje. Thuis liep het een beetje uit de hand. Ik begreep, dat als ik mijn huwelijk goed wilde houden ik zo vaak mogelijk ’s avonds thuis moest eten. We hebben geen kinderen, en ik had mijn vrouw meegesleept van Axel naar Apeldoorn, Breda en naar Oud-Beijerland. Voelde me verantwoordelijk en stopte 's avonds met hapjes in cafés en reed naar huis. Het was de reden dat ik op de Eliotplaats zelden mee at met Herman Berkhout's etentjes voor vrijgezellen en collega's met zelfstandige vrouwen toen Johan districtshoofd werd. Zeer tot ongenoegen van Herman. Hij wilde meer pannen, maar kreeg van Johan geen toestemming. Op kantoor hadden we een potje waar ieder elke maand een bedrag instortte om bij verjaardagen een bloemetje voor iedere jarige te kopen. Het potje was zoek. Hoewel er niemand bij was geweest was het duidelijk dat Herman het potje in beslag had genomen om er pannen van te kopen. Hij vond het onredelijk dat alleen diegenen die bleven eten voor pannen moesten betalen. De koffiemevrouwen waren verontwaardigd. Het potje, dat zij in beheer hadden, was 'gestolen' en ze wilden dat Johan de politie inschakelde. Johan die besefte dat Herman de verantwoordelijke was deed het niet. Zo verdween het bloemetje bij verjaardagen. Ik bleef het stille verwijt krijgen, dat ik niet mee at, maar had niet de behoefte om te vertellen waarom.
Met Henk Krul, het districtshoofd daarna, was het bijzonder prettig werken. Met hem viel te praten en was er weer vertrouwelijkheid. Met de gemeente voerden we een 'prioriteitenplan' uit om investeringen naar Rotterdam te halen met een uitwaaieringeffect (spin-off). Ik meen dat het een idee van Dick Nas was gesteund door Krul (mogelijk andersom). Ik deed mee, hoewel ik de gesprekken alleen met de gemeente niet voldoende vond. Niet de gemeente investeerde, maar het bedrijfsleven. Die zouden ons niet als gesprekspartner erkennen. Voor het gesprek met de gemeente maakte ik een groot schema met de neven-producten van aardolie en gas. Wethouder Den Dunnen vroeg aan de directeur van het havenbedrijf Henk Molenaar of hij zo'n schema ook kon maken. Dat kon. Buiten vroeg Molenaar me of hij mijn schema mocht hebben. Ook dat kon en zijn tekenaars maakten er een prachtig gedrukt schema van. Den Dunnen en Molenaar kende ik al van het gezamenlijk benaderen van de Kamercommissie om Gulf open te houden.
Ik verdiepte me in
Henk Krul was blijkbaar ook tevreden over onze samenwerking. Hij wilde me bij mijn afscheid een koninklijke onderscheiding bezorgen, maar vermoedde dat ik die zou weigeren. Hij spande zich daarom bij de gemeente Rotterdam in om me de Wolfert van Borselenpenning uit te reiken. En zo gebeurde. Bij de drukke receptie was Johan Stekelenburg aanwezig. Nu Johan's ijdelheid kennende, stak hem dat misschien wel even, maar ik merkte het niet en het deed ook niet meer terzake.
Jeroen, dit wilde ik nog even kwijt. Voor mij is het een schitterend boek.
Piet Scheele.
Of ga naar:
Johan Stekelenburg
Nadat ik Allemans VRIEND bij de boekhandel heb gehaald, heb ik het levensverhaal van Johan Stekelenburg gefascineerd en met emoties gelezen. Je hebt met het boek in elk geval bij mij veel overhoop gehaald. De oude geschiedenis, wat voor mij toch 'een gouden tijd' was, ging weer leven. Er mag dan weinig affiniteit tussen Johan en mij zijn geweest, de hoofdstukken 1 en 12 kon ik niet zonder vochtige ogen lezen. Dat je die verdrietige hoofdstukken zo indringend beschrijft zal ook wel met je eigen ervaringen te maken hebben.
glimlachend ja knikkend, probeerde om oprispingen over het eigen gelijk te stimuleren.
wat collega's met ambitie en een sterk ego. In een levendige en sterke bond niks mis mee als het in het belang van de bond is. Ik vreesde dat het conflict zou leiden tot splitsing in de bond met een verzwakte bond tot gevolg. In een gesprek met Johan - waar verder niemand bij was - vertelde ik hem hoe ik er over dacht. Johan ging me te snel. Als hij de juiste man voor het voorzitterschap was, dan kwam dat toch wel tot stand, zeker met de steun die hij uit het land kreeg. Mijn afwijkende mening werd me door collega's in Rotterdam niet in dank afgenomen.
Onder de stugge Schravemade, het eerste districtshoofd dat ik meemaakte, was het ook niet altijd gemakkelijk. De eerste maanden, voor de officiële datum van de fusie tussen drie NVV-bonden, was er geen plaats voor me op het kantoor van de ANMB op de Heemraadsingel in Rotterdam, hoewel de kamer waarin ik later terecht kwam al leeg stond. Bij de korte bedrijfsbezetting van Milchum, een klein toeleveringsbedrijf voor olieboringen, liet hij me toch rustig mijn gang gaan. Tijdens de oliecrisis, waarin ik voornamelijk via de kaderleden in de olieraffinaderijen de cijfers aanleverde en Schravemade de publiciteit naar zich toe trok, nam hij me wel mee naar besprekingen met de overheid. Ik laat in het midden of hij dat deed uit rugdekking naar Arie Groenevelt, die met zijn publiciteit niet blij was. Maar je kon toch goed onder hem werken.
Met Frans van de Veer, die daarna kwam, stond ik op vertrouwelijker voet. Hij bemoeide zich uiteraard wel met de stakingen bij ICI en Cyanamid, maar liet aan mij de beslissingen. Dat gebeurde ook bij Kuypers Machinefabriek in Rotterdam, toen ik van 'hogerhand(?)' metaalbedrijven erbij moest gaan doen. Ik nam het familiebedrijf met mooie producten als keerkoppelingen en reductiekasten voor de scheepvaart en visserij, over van collega Wim Thijssen, zonder dat hij me vertelde dat het bedrijf op het punt stond 'om te vallen'. Verbreding gaat ten koste van verdieping, maar ik beet me er in vast. Het was tevergeefs. Met Frans ging ik 's avonds wel eens naar een café, vooral als er een fruitautomaat stond (Frans was daar gek op), om een biertje te drinken, te kletsen over het werk, te filosoferen over het leven en het huwelijk/vriendin. Het was alleen lastig als je uit een rumoerig café naar huis moest bellen om te zeggen, 'dat het wat later werd'. Ook dronken we soms een biertje in de lunchpauze. Ook met de later veel te vroeg overleden Jan Polak, die in Rotterdam stage liep. Jan kende Rotterdam beter dan ik. Hij wist een pauzetheatertje waar achterin een bar was en voorin toneel werd gespeeld waar een jonge actrice onder het spelen functioneel haar truitje uittrok. De 60-tiger jaren waren tien jaren achter de rug. Na de Shell-staking schreef Jan me een briefje. Hij was ziek (MS) en zat inmiddels in een rolstoel. Hij schreef, dat hij me via de pers toch kon blijven volgen.
wat in laboratoria van de concerns en bedrijven in binnen- en buitenland aan nieuwe ontwikkelingen werden uitgedokterd. En ik vroeg bij alle bedrijven in de aardolie- en chemische sector een apart gesprek aan met de algemeen directeur - door de bemoeiingen met de uitvoering van het z.g. Herenakkoord begreep ik, dat ik over investeringen niet bij de directeur sociale zaken van een bedrijf aan het goede adres was - en probeerde hem te bewegen om zich in te spannen om nieuwe ontwikkelingen naar Rotterdam te halen. In de vestiging was hij de belangrijkste man en ook hij zou graag investeringen in nieuwe ontwikkelingen naar zijn vestiging halen. Zelfs directeuren van de grote concerns waarmee we geen CAO-contract hadden, zoals Esso, Gulf, BP, stemden toe in een gesprek.
En zo zou ik nog wel uren door kunnen gaan.e-mailadres:
pscheele@chello.nl
Fusie
Oliecrisis
Brand bij Shell
Staking bij ICI
Staking bij Shell
Cyanamid en gezondheid
5-ploegendienst
Aardgaswinsten
Link